Het is zondagochtend en je ziet op de wekker dat het net 10:05 is geweest. Een mooie tijd om op te staan, beslis je, en je stapt goed uitgerust je bed uit. Met kleine oogjes doe je de deur van de keuken open, waar de zon de hele kamer verlicht. In de hoek van de kamer zie je je kat in de zon liggen. Ze slaapt. Je stoot met je teen tegen de tafel, waardoor de slapende kat verschrikt opspringt. Je mama zit aan de hoek van de tafel en schenkt iets in een kop voor jou, het is warm en er komt stoom af. Je neemt een slokje, niet te voorzichtig, waardoor je je tong verbrandt. Het doet even pijn, maar het is maar van korte duur. Je schuift je stoel naar achter, het mooie weer is te verleidelijk om niet even naar buiten te gaan. Wanneer je dichter bij de achterdeur komt, waar je je voeten met sokken nog aan in je slippers wurmt, hoor je buiten een geluid die je meteen aan de zomer doet denken. Je doet de deur open en het geluid wordt enkel harder. Het is een fijn geluid. Je stapt de tuin in en net op dat moment komt er een wolk voor de zon. In een fractie van een seconde is je hele tuin van kleur veranderd. Je hoort dat je buurjongens in hun tuin aan het voetballen zijn. Ze maken veel lawaai en zijn tegen elkaar aan het schelden en aan het lachen. Je hoort dat een van de twee heel hard tegen de bal trapt. Je kijkt naar boven, omdat je de jongens hoort joelen. De bal komt recht op je af. Op hetzelfde moment hoor je de buurman buiten, hij is er niet blij mee dat zijn zoon de bal heeft overgegooid. Hij geeft zijn zoon een klap.